Nieuwe component

Functie

Nieuw component of nieuwe stijldefinitie aanmaken, met eventueel een bestaand component als uitgangspunt.

Nieuwe component

Allereerst moet bepaald worden of er een nieuwe component, of een nieuwe stijl aangemaakt gaat worden. De beschrijving hieronder laat zien hoe er verder gewerkt moet worden indien voor Component is gekozen. Het aanmaken van een Stijl wordt elders toegelicht. Als Component is geselecteerd, moet vervolgens het componenttype gekozen worden, of een reeds bestaand component als sjabloon genomen worden.

Sjabloon

  • Bij het gebruik van een sjabloon wordt de nieuwe component gebaseerd op een bestaande, waarbij alle eigenschappen worden overgenomen, inclusief de inhoud. Een sjabloon wordt gekozen door direct de code te typen, of door deze via de componentselector te kiezen, via de knop [...] naast het codeveld.

  • De sjablooncode wordt automatisch ingevuld als voorafgaand aan het commando een componentplaatsing was geselecteerd.

Type

  • Het sjabloonveld kan ook worden leeggelaten, maar dan moet wel het type van de nieuwe component worden geselecteerd.

  • Bij gebruik van een sjabloon bevat dit veld het type van het sjabloon component.

Aantal controlepunten (alleen bij component type 2)

  • Wanneer de component een parametrisch type 2 component moet worden, dan dient ook het aantal controlepunten ingevoerd te worden. Voor vormvaste componenten is dit aantal 0.

  • Bij gebruik van een sjabloon bevat dit veld het aantal controlepunten van het sjablooncomponent.

Code

  • Als laatste wordt de code voor de nieuwe component ingevuld. De knop [...] naast het codeveld kan worden gebruikt om met de selector een geschikte niet gebruikte code te zoeken.

  • Wanneer een bestaande componentcode wordt ingetypt wordt de achtergrond van het invoerveld rood en kan niet op [OK] worden geklikt.

OK

  • Na het bevestigen van bovenstaande eigenschappen met de knop [OK] verschijnt de eigenschappendialoog voor het gekozen componenttype. Deze dialogen zijn te verdelen in de volgende categorieën:

    • Teksten

    • Maten

    • Overige componenttypen

Eigenschappen tekstcomponent

Omschrijving

  • Hier kan een omschrijving van de component worden ingevoerd

Informatiescheiding

  • De standaard informatieattributen (plaatsingslaag, -nivo en aspect) kunnen worden ingevoerd.

Tekstcomponent opties

Stel de verschijningsvorm van de tekst in:

  • Tekststijl: Verwijzing (code) naar een tekststijl. Deze bepaalt de verschijningsvorm van de tekst.

  • Drie knoppen voor het instellen van de horizontale uitlijning van de tekst (links, gecentreerd, of rechts).

  • Vier knoppen voor het instellen van de verticale uitlijning van de tekst (basislijn, gecentreerd, bovenkant, of onderkant).

OK

  • Wanneer de knop [OK] wordt ingedrukt, verlaat u de dialoog. Vervolgens wordt de componentdefinitie met de ingestelde attributen opgeslagen in de projectbibliotheek.

Eigenschappen maatcomponent

Omschrijving

  • Hier kan een omschrijving van de component worden ingevoerd.

Informatiescheiding

  • De standaard informatieattributen (plaatsingslaag, -nivo en aspect) kunnen worden ingevoerd.

Maatopties

Definitie van de verschijningsvorm van de maattekst:

  • Verm.factor: de factor waarmee de meetwaarde wordt vermenigvuldigd

  • Decimalen: het aantal getoonde decimalen en of deze in superscript afgebeeld worden ([✓] Decimalen superscript)

  • Eventuele prefixtekens voor en postfixtekens na de maattekst

Grafische opties

  • Verwijzing (codes) naar lijnstijlen voor verschijningsvorm van de Basislijn en de Aanhaallijnen (beide mogen leeg zijn).

  • Eventuele aanhaallijnverkorting in mm papier.

  • Verwijzing (code) naar een Symbool, die op de basislijn de meetpunten aangeeft.

    • Normaal wordt het symbool één keer per meetpunt afgebeeld.

    • Dit symbool kan optioneel ook 'Links en rechts gespiegeld' zijn waarbij het symbool per tussenliggend punt tweemaal afgebeeld; normaal en gespiegeld. Dit is bedoeld voor het afbeelden van pijlpunten.

  • Verwijzing (code) naar een Tekststijl. Deze bepaalt de verschijningsvorm van de tekst.

  • Verticale uitlijning van de tekst (basislijn, gecentreerd, bovenkant, of onderkant).

OK

  • Wanneer deze knop wordt ingedrukt, verlaat u de dialoog. Vervolgens wordt de componentdefinitie met de ingestelde attributen opgeslagen in de projectbibliotheek.

Overige componenttypen

Bij andere componenttypen wordt verschijnt de dialoog Component eigenschappen.

Algemeen

  • De Code, het Type en het aantal controlepunten van het component worden weergegeven, maar kunnen niet meer worden aangepast.

  • Bij Telwijze wordt ingesteld of het component meegenomen moet worden in de tellingen. Er kan gekozen worden voor niet tellen, aantal tellen, lengte, oppervlakte en inhoud.

  • Verder kan een naam, gespiegelde naam en omschrijving van het component worden ingevoerd.

Omschrijving

  • De informatie die het component beschrijft kunnen worden ingevoerd (fabrikant, productlijn, artikelcode (ook gespiegeld) en materiaal).

Informatiescheiding

  • Laag.sublaag, Nivoset, Aspect van componentplaatsingen van dit component kunnen hier worden ingevoerd.

  • Ook de NL-SfB-classificatie en de IFC-entiteit kunnen hier worden ingevoerd.

Zichtbaarheid

  • [✓] 2D

  • [✓] 3D

  • [✓] Annotatie: het aanvinken van deze optie breidt het aantal beschikbare $-codeteksten uit van 9 naar 26.

  • [✓] Samenstelling

  • 2D Diepte: De 2D-plaatsdiepte van het component kan hier worden ingesteld.

Automatisch aansluiten

  • Bij vormvaste componenten en lijncomponenten kunnen de schakelaars [✓] Automatisch aansluiten (s), [✓] Automatisch inkorten (i) en [✓] Sluitlijn van 3s onderdrukken (-) worden gebruikt.

Standaard referentie hoogte

  • Voor de component kan een standaard referentievlak en bovenvlak worden opgegeven, dat bij plaatsing wordt toegepast. Deze waarden kunnen voor per specifieke plaatsing van de component worden aangepast door de knoppen in de optiebalk te gebruiken.

  • Met het vinkje [✓] Elementhoogte (E) kan worden aangegeven dat de waarde die bij bovenvlak ingevuld wordt als elementhoogte is bedoeld, in plaats van als bovenvlakhoogte.

  • Is van een vormvast component de aansluitoptie [✓] Automatisch inkorten (i) aangevinkt, dan worden op deze plek in plaats van referentie- en bovenvlak de verticale inkortingshoogtes van de component opgegeven.

Plaatsgedrag:

  • Klappen om X-as of Y-as bij plaatsing

  • [✓] Onderdeel van component met projecties (p)

  • [✓] Hoogtes verdelen: deze eigenschap is van toepassing op componenten waarvan de hoogte instelbaar is en zorgt ervoor dat de hoogtes van alle componenten die erin genest zijn, relatief ten opzichte van de ingestelde hoogte van het omliggende component worden aangepast (bijv. de hoogte van de treden van een trap die in hoogte geparametriseerd kan worden).

  • [✓] Ontspiegelen

OK

  • Wanneer de knop [OK] wordt ingedrukt wordt de dialoog verlaten.

  • Vervolgens moet het referentiepunt in de tekening worden geplaatst.

    • Bij gebruik van een sjabloon is daarbij de hele component al zichtbaar en wordt maar één punt ingevoerd.

    • Zonder sjabloon kunnen extra referentiepunten worden toegevoegd.

  • Voer het basispunt in (het toekomstige plaatsingspunt).

  • Voer eventueel extra punten in en sluit zonodig af met de rechter muisknop.

  • De componentdefinitie wordt hierna actief. Alle nieuw toegevoegde elementen worden vervolgens in de definitie opgenomen, totdat deze wordt afgesloten met het commando Sluiten component.

Opmerkingen

  • Dat er een component actief is wordt aangegeven door een rode driehoek bij het Adomi-logo op de optiebalk. Verder staat de componentcode tussen vierkante haken in de titel van het Adomi-venster achter de tekeningnaam.

  • De componenteigenschappen 'Samenstelling' en 'Annotatie' kunnen niet gelijktijdig op een component geactiveerd zijn.

Meldingen

Melding

Betekenis

Er is al een component actief! Doorgaan?

Meerdere componenten kunnen tegelijkertijd actief zijn. Nieuwe elementen worden toegevoegd aan het component dat het laatst actief is gemaakt. Wanneer gestapeld actief maken niet gewenst is, sluit dan eerst de actieve componentdefinitie af, met het commando Sluiten component.

Codes die beginnen met ... zijn gereserveerd voor ... Hiervoor geldt in Adomi speciale functionaliteit. Weet je zeker dat je een component wilt aanmaken waarvan de code begint met ...?

Door het gebruiken van een code die begint met de lettercombinatie die je van plan bent te gebruiken, kan het zijn dat in Adomi speciale functionaliteit wordt opgeroepen bij het gebruiken van deze componenten. Dit geldt voor materiaalcomponenten, die beginnen met MTL, en Adomi basiscomponenten, die beginnen met ARK. Als je er niet om die reden voor gekozen hebt om deze lettercombinatie in de componentcode te gebruiken, dan is het advies om een andere lettercombinatie te kiezen.