Stijlen

Stijlen bepalen de verschijningsvorm van primitieven op het beeldscherm en op de afdruk. Een stijl bevat de definitie van de grafische eigenschappen waarmee primitieve elementen worden afgebeeld, zoals lijndikte, kleur en lettertype. Stijlen worden opgeslagen in de bibliotheek, onder een code, net als componenten. Primitieve elementen bevatten altijd een verwijzing naar een stijl.

In Adomi-versies ouder dan versie 6 verwezen primitieve elementen altijd met hun grafische index naar een definitie in de arceringstabel. Vanwege van de compatibiliteit met bestaande projecten kan dit nog steeds.

Stijltypen

Er zijn aparte stijltypen voor 2D en voor 3D, deze worden verderop één voor één besproken: kleurstijl, lijnstijl, vlakstijl, tekststijl, visualisatiestijl, correctiestijl, schaalstijl en materiaalstijl.

Zichtbaarheid stijlen in 2D en 3D

Visualisatiestijlen zijn alleen zichtbaar in 3D-weergave en niet in 2D. De overige stijltypen zijn alleen zichtbaar in 2D weergave en niet in 3D, met uitzondering van de materiaalstijl, die gebruikt kan worden om objecten te maken die zowel een 2D- als een 3D-weergave bevatten.

Stijlcode

Iedere stijl heeft een unieke code, die de relatie vormt tussen de definitie en de plaatsingen van de stijl. De stijlcode is vergelijkbaar met de componentcode. Binnen een bibliotheek bevinden ze zich op hetzelfde domein. Zo kan een bibliotheek niet een stijl en een component bevatten waarvan de stijlcode en de componentcode dezelfde waarde hebben. De stijlcode bestaat uit maximaal acht karakters. Dit kunnen letters, cijfers en een aantal andere tekens zijn. Advies: gebruik in codes uitsluitend de volgende karakters: '1'..'9', 'A'..'Z', 'a'..'z', '-', '_'. Dit voorkomt mogelijke toekomstige problemen bij conversie naar andere bestandsformaten.

Bij het opslaan van een code blijft het verschil tussen hoofd- en kleine letters bewaard, maar voor het bepalen of een code uniek is en bij het aanroepen van een code wordt hiertussen geen onderscheid gemaakt.

Omschrijving

Bij een stijl kan een omschrijving worden opgegeven, van maximaal 255 tekens. Deze wordt getoond binnen dialogen.

Kleurstijl

De kleurstijl is speciaal bedoeld voor het vastleggen van een kleur. Vanuit andere stijltypen kan hier naar worden verwezen.

Eigenschappen

De definitie bestaat uit een expliciete kleurwaarde (RGB).

Opmerkingen

  • Met kleurstijlen kan een verzameling kleuren volgens een bepaalde norm, zoals RAL, worden vastgelegd.

  • Kleurstijlen worden alleen gebruikt in andere stijltypen.

Lijnstijl

De lijnstijl definieert de grafische eigenschappen voor de weergave van een lijn in 2D (o.a. lijntype, lijndikte, kleur). Een lijnstijl kan zelf de definitie van de grafische eigenschappen bevatten, maar kan ook een lijnschaalstijl zijn.

Eigenschappen

De volgende eigenschappen kunnen voor de lijnstijl worden ingesteld:

  • Kleur, als expliciete waarde, of als verwijzing naar een Kleurstijl

  • Lijndikte in mm

  • Lijnpatroon, dit kan een standaard lijnpatroon zijn, of een vrij te definiëren lijnpatroon:

    • Standaard lijnpatroon

      • Er zijn vijf mogelijke standaard lijnpatronen:

        • doorgetrokken (continuous)

        • streep (dash)

        • stippel (dot)

        • streep-stippel (dash-dot)

        • streep-stippel-stippel (dash-dot-dot)

      • Bij streep-stippel en streep-stippel-stippel is de lengte van het patroon op papier aanmerkelijk groter dan bij streep en stippel. Op het beeldscherm is het verschil minder duidelijk zichtbaar.

    • Vrij te definiëren lijnpatroon

      • Hierbij wordt het lijnpatroon exact vastgelegd door een aantal streep- en gatlengtewaarden, naar keuze in papiermaat of in wereldmaat.

Lijnschaalstijl

Een lijnschaalstijl is een schaalstijl en deze bestaat uit schaalafhankelijke verwijzingen naar andere lijnstijlen. Deze lijnstijlen mogen dan niet zelf ook een lijnschaalstijl zijn, maar moeten een definitie van de grafische eigneschappen bevatten.

Opmerkingen

  • De standaard lijnpatronen zijn efficiënter dan vrij gedefinieerde lijnpatronen. Dat wil zeggen dat het afbeelden sneller gaat. In de praktijk zal het verschil niet echt merkbaar zijn.

  • Belangrijker is het verschil dat standaard lijnpatronen onafhankelijk van de schaal worden afgebeeld, terwijl vrij gedefinieerde lijnpatronen een exacte vaste maat hebben.

  • Bij polylijnen met een vrij gedefinieerd lijnpatroon wordt het patroon voortgezet over opeenvolgende segmenten.

Vlakstijl

De vlakstijl definieert de grafische eigenschappen voor de weergave van een vlak in 2D (o.a. omhullende, vulkleur en soort arcering). Een vlakstijl kan zelf de definitie van de grafische eigenschappen bevatten, maar kan ook een vlakschaalstijl zijn.

Eigenschappen

De volgende eigenschappen kunnen voor de vlakstijl worden ingesteld:

  • Omranding:

    • Geen

    • Alle eigenschappen die ook voor een lijnstijl kunnen worden ingesteld (zie hierboven)

  • Vlakvulling:

    • Geen

    • Vullen met een kleur, als expliciete waarde

    • Vullen met een kleur, als verwijzing naar een kleurstijl.

      • Een speciale vulkleur is wit, namelijk de achtergrondkleur.

      • Vlakvullingen met een kleur dekken alle onderliggende vlakken, lijnen en teksten af.

    • Vullen met een schaduwvlak

      • Een schaduwvlak dekt onderliggende vlakken, lijnen en teksten slechts gedeeltelijk af.

      • Het schaduwvlak heeft een instelbaar grijspercentage. Dit percentage bepaalt in welke mate onderliggende elementen worden afgedekt.

      • Op het scherm worden schaduwvlakken transparant afgebeeld en bij het afdrukken worden deze vlakken gerasterd.

  • Arcering:

    • Geen

    • Een reeks lijnen met vrij instelbare eigenschappen van een lijnstijl en startpunt, hoek en repeteerafstand.

      • De maten zijn naar keuze in papiermaat of wereldmaat.

      • De arcering is naar keuze absoluut of relatief. Een relatieve arcering schuift mee met het startpunt van de geplaatste veelhoek en draait mee met de component waar deze in is geplaatst.

      • Bij relatieve arcering is tevens instelbaar of deze gespiegeld wordt, wanneer de component waarin deze voorkomt gespiegeld wordt geplaatst.

      • Bij individuele lijn- en vlakvormige elementen kan het kenmerk relatief worden ingesteld. In dat geval zullen alle absolute arceringen binnen dit element afgebeeld worden als relatieve arceringen.

Toepassingen

Niet relatieve, dus absolute arcering is geschikt voor abstracte patronen. Doordat deze arcering niet per plaatsing verschuift loopt het patroon altijd netjes door bij aaneensluitende vlakken. Dit soort arcering kan in papiermaat worden gedefinieerd.

Een arceerpatroon dat reële objecten voorstelt, bijvoorbeeld bakstenen of tegels, zal doorgaans wel relatief worden gemaakt, zodat het startpunt van het patroon samenvalt met het gearceerde vlak. Of men daarbij ook de schakelaar "spiegelen" aanzet is afhankelijk van de aard van de objecten; als de vorm symmetrisch is maakt het niet uit, als de vorm niet symmetrisch is, is het afhankelijk van de aard van het object; kan men deze in de praktijk gespiegeld (of ondersteboven) aanbrengen, of niet.

Vlakschaalstijl

Een vlakschaalstijl is een schaalstijl en deze bestaat uit schaalafhankelijke verwijzingen naar andere vlakstijlen. Deze vlakstijlen mogen dan niet zelf ook een vlakschaalstijl zijn, maar moeten een definitie van de grafische eigenschappen bevatten.

Tekststijl

De tekststijl definieert de grafische eigenschappen voor de weergave van een tekst in 2D (o.a. lettertype, grootte, uitlijning). Een tekststijl kan zelf de definitie van de grafische eigenschappen bevatten, maar kan ook een tekstschaalstijl zijn.

Eigenschappen

De volgende eigenschappen kunnen voor de tekststijl worden ingesteld:

  • Tekstmaat (hoogte), in papiermaat of wereldmaat

  • Lettertype (TrueType lettertype, met opties vet, cursief, onderstreept en doorgestreept)

  • Kleur, als expliciete waarde, of als verwijzing naar een kleurstijl

  • Uitlijning

    • Horizontaal: links, gecentreerd, of rechts

    • Verticaal: basislijn, gecentreerd, bovenkant, of onderkant

    • De horizontale en verticale uitlijning bij de stijl gelden als verstekwaarde, per geplaatste tekst kan hiervan worden afgeweken.

  • Regelafstand, de standaard regelafstand van tweemaal de teksthoogte kan groter of kleiner worden gemaakt

  • Wissen van de ondergrond, waarbij een rechthoekig vlak onder de tekst wordt geplaatst dat alle onderliggende lijnen afdekt.

  • Altijd omhoog of naar links gericht: zorgt ervoor dat bij tekstelementen die ondersteboven worden gedraaid automatisch de verticale richting wordt omgeklapt. Dit is vooral handig bij in product­componenten geneste teksten. Het werkt het beste in combinatie met verticaal centreren en met verticale uitlijning op bovenkant of onderkant.

Tekstschaalstijl

Een tekstschaalstijl is een schaalstijl en deze bestaat uit schaalafhankelijke verwijzingen naar andere tekststijlen. Deze tekststijlen mogen dan niet zelf ook een tekstschaalstijl zijn, maar moeten een definitie van de grafische eigenschappen bevatten.

Visualisatiestijl

De visualisatiestijl definieert de grafische eigenschappen voor de weergave van een vlak in een 3D-visualisatie (o.a. kleur, textuur, transparantie en spiegeling).

Eigenschappen

De volgende eigenschappen kunnen voor de visualisatiestijl worden ingesteld:

  • Kleur

    • Aan ieder materiaal kan een willekeurige kleur worden toegewezen.

  • Textuur

    • Aan een materiaal kan een bitmap-bestand worden gekoppeld als textuur.

    • Dit bestand moet in het projectpad (zie Paden en bestandstypen) al dan niet in de folder 'TEXTURES' of in het pad van de aangesloten hoofdbibliotheek staan, al dan niet in de folder 'TEXTURES'. Texturen worden ook in deze volgorde gezocht.

    • De naam van het textuurbestand kan eventueel automatisch gelijk zijn aan de componentcode.

    • Daarnaast kan men bij texturen ook kiezen welke afmeting ze hebben en onder welke hoek ze geplaatst moeten worden.

    • Een textuur kan gedeeltelijk transparant zijn. In dat geval worden alle punten van het plaatje die dezelfde kleur hebben als het beeldpunt in de linker- bovenhoek van het plaatje beschouwd als doorzichtig. Dit is onder meer handig voor het toevoegen van 'decorstukken'; grote vlakken met een plaatje van boom of een mens erop, maar ook voor gedeeltelijk open materialen, zoals kippengaas.

    • De kleur en de textuur kunnen in iedere willekeurige verhouding worden gecombineerd.

  • Ruwheid

    • Hoe hoger de ruwheid van een materiaal, hoe groter de afwijking van individuele punten van een vlak ten opzichte van de basiskleur.

    • Het effect neemt af met de afstand.

  • Glans

    • Ieder materiaal heeft een instelbare karakteristiek die bepaalt in welke mate de basiskleur wordt beïnvloed door de lichtbronnen.

    • Weinig glans zorgt ervoor dat de kleur van het materiaal nauwelijks lichter of donkerder wordt onder invloed van meer of minder verlichting, zoals bijvoorbeeld geldt voor fluweel.

    • Veel glans zorgt ervoor dat het materiaal zeer sterk van helderheid verandert onder invloed van de belichting, zoals geldt voor glimmend plastic en metaal. Vlakken met veel glans krijgen ook 'highlights' op plaatsen waar lichtbronnen worden gespiegeld ten opzichte van de waarnemer.

  • Transparantie

    • Door een vlak transparant te maken, wordt het doorzichtig (glas). Als een vlak volledig transparant is, is alles achter het vlak zichtbaar met inachtneming van de kleur van het glas. Rood glas laat alleen rood licht door!

  • Spiegeling

    • Zowel perfect reflecterende als halftransparante spiegels zijn mogelijk.

  • Vaste helderheid

    • Als een materiaal een vaste helderheid heeft, is de kleur volledig onafhankelijk van de hoeveelheid licht die erop valt. Deze eigenschap kan worden gebruikt voor lampenkappen en andere van achter verlichte panelen, zoals neon-reclame en een 'Uit'-bordje in een theater.

Opmerkingen

  • De eenvoudigste methode om een nieuwe visualisatiestijl te maken is deze af te leiden van een bestaande.

  • Elementen met een visualisatiestijl zijn alleen zichtbaar in 3D-weergave en niet in 2D.

  • Wanneer een visualisatiestijl op het scherm in lijnweergave wordt weergegeven dan worden ze op het scherm getoond met doorgetrokken lijntype en als lijnkleur de (gemiddelde) kleur van de stijl.

Correctiestijl

Dit stijltype is bedoeld om globaal in één keer de kleur en/of lijndikte van een groep elementen te corrigeren zonder de stijlen van de individuele elementen aan te hoeven passen. De correctiestijl bevat de definitie van het soort aanpassing van kleur en/of lijndikte.

Het is daarbij mogelijk om alle kleuren te vervangen door een vaste kleur, in grijswaarde om te zetten, of de helderheid en verzadiging aan te passen. Ook kunnen alle lijndikten op een vaste waarde worden gezet, of met een bepaalde factor dunner of dikker worden gemaakt. De correctie geldt zowel voor het scherm als voor afdrukken.

Een correctiestijl kan vervolgens worden ingesteld voor de tekening, referentietekening of referentieview. Wanneer op meerdere plaatsen correctiestijlen zijn ingesteld geldt de bovenste in de hiërarchie, bijvoorbeeld: een correctiestijl bij de tekening gaat voor op die bij een referentietekening.

Opmerkingen

  • Afdekvlakken (vlakstijl met als vuleigenschap 'achtergrond wissen') worden nooit gecorrigeerd naar een andere kleur.

  • Een correctiestijl corrigeert ook een element wat nog geen stijlcode maar een index van een arceringstabel heeft. Hierdoor kan nu een (plot)tekening volledig op grijswaarden worden gezet, middels een correctiestijl, ook al gebruikt het project nog oude indexen.

Schaalstijl

Een schaalstijl is een stijl die uitsluitend een tabel met verwijzingen naar andere gelijksoortige stijlen bevat. Er zijn drie soorten schaalstijlen: voor de lijnstijl, vlakstijl en tekststijl.

De verwijstabel kan voor iedere standaard plotschaal een aparte stijlcode bevatten. Welke van die stijlcodes uiteindelijk voor het afdrukken wordt gebruikt, is afhankelijk van de ingestelde plotschaal. Voor het kiezen van de schermweergave van een schaalstijl wordt de doelschaal gebruikt. Een verwijzing in de tabel kan ook leeg worden gelaten, om bij die schaal niets af te beelden.

De stijlen waarnaar verwezen wordt moeten van gelijksoortig stijltype zijn, maar deze mogen dan niet zelf ook een schaalstijl zijn. Ze moeten zelf een definitie van de grafische eigenschappen bevatten.

Bewerkingsweergave

Naast de standaardschalen 1:1, 1:2, 1:5 tot en met 1:2000, kan er nog een aparte stijlcode worden vastgelegd voor de bewerkingsweergave. De bewerkingsweergave wordt nooit afgedrukt, maar kan worden gebruikt om de tekening­bewerking vereenvoudigen en versnellen, bijvoorbeeld door contourlijnen bij vlakken te tonen die niet mogen worden geplot, of door standaard lijnpatronen te gebruiken, in plaats van de iets tragere vrij te definiëren lijnpatronen.

De schaalstijl kan met betrekking tot de bewerkingsweergave op drie manieren worden toegepast:

  • Alleen een stijl gedefinieerd bij de bewerkingsweergave en geen stijl bij de doelschalen => de stijl is alleen zichtbaar op het scherm en nooit op de plot.

  • Geen stijl gedefinieerd bij de bewerkingsweergave maar wel bij de doelschalen => de stijl heeft geen afwijkende schermweergave ten opzichte van de plot.

  • Zowel een stijl gedefinieerd bij de bewerkingsweergave als bij de doelschalen => de stijl heeft een afwijkende schermweergave ten opzicht van de plot.

Materiaalstijl

Met een materiaalstijl worden binnen één stijl alle weergavestijlen voor de verschillende presentaties van een materiaal gebundeld. Het gaat hierbij om aparte lijn- en vlakstijlen voor 2D-aanzicht en 2D-snede en een visualisatiestijl voor de 3D-shading. In 3D bepalen materiaalstijlen hoe materialen worden weergegeven in aanzicht of wanneer ze worden doorgesneden.

Presentatie

Stijltype

Toelichting

Aanzicht

Vlak(schaal)stijl

Boven- of zijaanzicht van een materiaal

Aanzicht

Lijn(schaal)stijl

Omranding voor het aanzicht

Snede

Vlak(schaal)stijl

Snede van een materiaal

Snede

Lijn(schaal)stijl

Omranding van de snede

Visualisatie

Visualisatiestijl

Weergave van een materiaal in shading

De materiaalstijl kan worden geplaatst met zowel lijn- als vlakvormige primitieven. Adomi kiest automatisch de juiste stijl voor de situatie waarin een element wordt weergegeven.

Voor de omranding wordt altijd de lijn(schaal)stijl van het materiaal gebruikt voor de omranding van vlakken. Een eventuele omranding van de vlakstijl wordt niet gebruikt.

De visualisatiestijl is optioneel. Wanneer deze leeg is, is het materiaal grijs in 3D ingekleurde weergave.

In 2D bepaalt het kenmerk diepte van de plaatsing van een materiaal welke weergave wordt gebruikt. Dit wordt hieronder beschreven.

3D-weergave

In 3D bepaalt de stand van de 3D-weergave hoe de elementen worden weergegeven. Verder worden in 3D bij materiaalstijlen op de zijvlakken van de kijkdoos de snede weergegeven.

3D-weergave

Randen binnen de kijkdoos

Vlakvullingen binnen de kijkdoos

Snede van randen op zijvlak kijkdoos

Snede van vlakvullingen op zijvlak kijkdoos

Wireline

Donkerder of lichtere tint van gemiddelde kleur Visualisatiestijl

Geen

Donkerder of lichtere tint van gemiddelde kleur visualisatiestijl

Geen

Hiddenline

Lijnstijl aanzicht

Vlakstijl aanzicht zonder lijnarceringen

Lijnstijl snede

Vlakstijl snede

Kleurboek

Donkerdere of lichtere tint van gemiddelde kleur visualisatiestijl

Gemiddelde kleur visualisatiestijl (zonder texturen)

Donkerder of lichtere tint van gemiddelde kleur visualisatiestijl

Donkerdere of lichtere tint van gemiddelde kleur visualisatiestijl (zonder texturen)

Shading

Geen

Visualisatiestijl

Geen

Visualisatiestijl

Shading met lijnen

Donkerdere of lichtere tint van gemiddelde kleur visualisatiestijl (0.18mm)

Visualisatiestijl

Donkerdere of lichtere tint van gemiddelde kleur visualisatiestijl (0.18 mm)

Visualisatiestijl

Wanneer de randen gebaseerd zijn op een donkerder of lichtere tint van de gemiddelde kleur van de visualisatiestijl dan kan deze ook vervangen worden door een vaste kleur en lijndikte middels een lijnstijl met de componentcode ARKWRSH (zie Speciale componenten en stijlen).

Materiaal en dieptekenmerk in 2D

Het dieptekenmerk van de plaatsing van een materiaal bepaalt welke weergave wordt gebruikt. Voor diepten F0 t/m F9 en B is dat de aanzichtweergave, voor S de snedeweergave. Wanneer de diepte op H staat, dan wordt dezelfde kleur en lijndikte gebruikt als voor de aanzichtweergave, maar een speciaal lijntype en geen vlakvulling. Standaard wordt lijntype ‘gestreept’ gebruikt, maar men kan een ander lijntype definiëren voor afgedekte lijnen, door een lijnstijl aan te maken met code ARKCWIRE.

Bij elementen met afwijkend bovenvlak wordt alleen het bovenvlak met de snedestijl afgebeeld; voor de zijvlakken wordt altijd de aanzichtstijl gebruikt. Ook elementen in geklapte componenten verschijnen altijd in aanzichtweergave.

De speciale diepte 3D wordt ingesteld bij plaatsingen van materiaalstijlen in componenten en zorgt ervoor dat de weergave wordt aangepast aan de diepte waarmee de component is geplaatst.

Afgedekte lijnen weergeven in 2D

Per materiaalstijl kan de optie “Afgedekte lijnen weergeven” worden aangezet. Als een materiaalstijl dit kenmerk heeft, dan wordt bij iedere plaatsing, naast de aanzichtweergave, ook het afgedekte deel weergegeven. Dit afgedekte deel krijgt dan dezelfde weergave als in de hangende weergave. Wanneer nu een ander element dit element geheel of gedeeltelijk afdekt, dan zal het afgedekte deel ook zichtbaar zijn.

Omranding en vlakvulling optioneel

Ook kan per geplaatst element van een materiaalstijl aangegeven worden dat de omranding moet worden weggelaten, of juist de vulling. De rand van de randloze figuur wordt op het scherm gestippeld afgebeeld, in de kleur van de referentiepunten. Deze instelling heeft zowel in 2D als in 3D weergave effect. Vlakken zonder rand krijgen in 3D weergave ook geen rand. Vlakken met instelling 'geen vulling' zijn in 3D ook open.

Zichtbaarheid materiaal in 2D en/of 3D

Per geplaatst element van een materiaalstijl kan worden aangeven of deze alleen in 2D of alleen in 3D zichtbaar is. Voor een snelle weergave is het van essentieel belang dat dit met name binnen componenten juist wordt ingesteld.

Materiaalweergave en oplosgedrag lijnvormige componenten

Bij ontmoetingen van lijnvormige componenten (type 3+) wordt alleen een hoekoplossing gemaakt wanneer beide componenten in snede- of in hangend- of beide in één van de aanzichtenweergave staan.