Brandmeldtoestel
Een brandmeldtoestel wordt aangesloten op de lijn van een lus. Nevenindicatoren en contacten worden op andere toestellen aangesloten door met eerste klik het contact of de nevenindicator te plaatsen, met de tweede klik de weergeven rotatie te plaatsen en met de derde klik het toestel aan te wijzen waar het nevenindicator of contact op aangesloten moet worden.
Kies je voor het wijzigen of toevoegen van een brandmeldlus, dan kun je de volgende eigenschappen bepalen:
Toestelnaam: de naam die de functie beschrijft van de melder.
Omschrijving: desgewenst kun je het toestel van een extra toelichtende tekst voorzien door hier een omschrijving in te vullen.
Adres: het unieke volgnummer van een toestel. Dit nummer wordt, wanneer leeg gelaten, ingevuld door 'Uitwerken stelsel'.
Adres vastzetten: als deze eigenschap op 'Ja' is ingesteld, dan wordt het adres van het toestel niet meer gewijzigd door 'Uitwerken stelsel'.
Automatisch verbonden in bouwlaag
Bij het ontwerpen van brandmeldinstallaties wordt een melder automatisch als aangesloten aan een lus beschouwd als deze zich op een andere referentiehoogte bevindt dan de lus, zolang de referentiehoogte in dezelfde bouwlaag als het lusdeel valt. Om een melder aan te sluiten op een lus in een andere bouwlaag, gebruik je een verticaal lusdeel.
Bij de luslengte wordt tweemaal de afstand tussen het toestel en het lusdeel opgeteld. Eenmaal voor het de kabel naar beneden naar het toestel en eenmaal voor de kabel naar boven terug naar het lusdeel.