Brandmeldinstallaties
Ontwerpstappen
De belangrijkste stappen van het ontwerpen van een brandmeldinstallatie zijn de volgende:
Plaats de symbolen voor je brandmeldinstallatie in de plattegrond. Je vindt ze in de Abico selector, in de hoofdgroep 'Beveiliging' bij 'Brandmeldinstallatie'. Je maakt daarbij gebruik van symbolen voor centrales, panelen, doormeldeenheden, melders, IO-modules, signaalgevers en contacten.
Verbind de onderdelen van de brandmeldinstallatie op de gewenste wijze aan elkaar in lussen. Verbind de lussen van een centrale aan het onderste bolletje van een centrale. Verbind wanneer nodig de centrale lus met het bovenste bolletjes van alles centrales.
Gebruik desgewenst de functie Selecteer stelsel om te zien of alles goed verbonden is.
Bouw de adressering op en maak deze automatisch zichtbaar in de tekening met de functie Uitwerken stelsel.
Genereer automatisch een adressenlijst met de functie Genereer overzichten.
Pas namen, omschrijvingen of adressen van onderdelen van de brandmeldinstallatie naar wens handmatig aan. De gegenereerde teksten op de tekening worden, net als de gegenereerde adressenlijst, direct automatisch bijgewerkt.
Hieronder worden verschillende onderdelen van de hierboven genoemde ontwerpstappen in meer detail toegelicht.
Symbolen plaatsen
Er zijn verschillende symbolen voor de hoofdcentrale en de eventuele subcentrales in de selector beschikbaar, die gebruikt kunnen worden om in de plattegrond de positie van de centrales aan te geven. Een centrale wordt in de tekening, bij het gebruiken van de functies voor het automatisch plaatsen van teksten en het genereren van overzichten, gezien als een startpunt waar lussen op aangesloten worden.
De symbolen voor panelen, doormeldeenheden, melders en IO-modules kunnen tevens op de gewenste positie in de plattegrond gezet worden. Zij zullen later op een lus aangesloten worden.
Een IO-module verbindt contacten aan de lus. Afhankelijk van het gekozen type IO-module, kunnen er 1, 2 of 4 in- en uitgaande elementen aan verbonden worden. Hier wordt bij het gebruiken van een automatische stelselfunctie ook op gecontroleerd.
Contacten kunnen aan een IO-module worden verbonden tijdens het plaatsen van het contact. De derde klik tijdens het plaatsen (waarmee de positie van het controlepunt wordt bepaald) moet op het plaatsingspunt van de IO-module zijn, waarmee de verbinding gelegd wordt. Nevenindicatoren kunnen overigens ook op deze wijze op melders aangesloten worden.
Een toestel automatisch als aangesloten aan een lus beschouwd als deze zich op een andere referentiehoogte bevind dan de lus, zolang de referentiehoogte in dezelfde bouwlaag als het lusdeel valt. Bij de luslengte wordt tweemaal de afstand tussen het toestel en het lusdeel opgeteld. Eenmaal voor het de kabel naar beneden naar het toestel en eenmaal voor de kabel naar boven terug naar het lusdeel.
Lussen maken
Vanuit de Abico selector ga je tekenen met de horizontale en verticale lusdelen.
Een horizontaal lusdeel plaats je als een polylijn. Dat betekent dat je met plaatsen begint bij de centrale (in de cirkel direct onder het symbool), en vervolgens stuk voor stuk elk element in de lus aanklikt om de lus te creëren. Om de lus naar wens mooier zichtbaar te krijgen op je tekening, kun je ook extra kliks toevoegen op plaatsen waar geen onderdelen van de brandmeldinstallatie staan, om zo de richting van de geplaatste lusdelen te bepalen. Als laatste kun je weer eindigen met een klik in de cirkel direct onder het centralesymbool.
Je kunt er ook voor kiezen om de brandmeldinstallatie stervormig te tekenen, wat betekent dat je na het verbinden van het laatste element in een lus, niet met de lus terugkeert bij de centrale. Je breekt in dat geval het plaatsen van de polylijn af zodra je bij het laatste element gekomen bent.
De centrale lus begin en eindigt bij het bovenste punt van de hoofdbrandmeldcentrale. Wil je aan de centrale lus een subcentrale verbinden, dan doe je dat ook ter hoogte van de subcentrale op de cirkel aan de bovenkant van het subcentralesymbool. De lussen die vanuit de subcentrale getekend worden, sluit je weer aan op de cirkel onder het subcentralesymbool. Alle overige elementen van de brandmeldinstallatie worden aan de lus verbonden door de lus te koppelen ter hoogte van het plaatsingspunt van het element.
Symbolen die op of boven een lusdeel getekend worden en een afwijkend referentievlak hebben dat binnen de bouwlaag valt waar het lusdeel ook in getekend is, zullen automatisch ook als onderdeel van de lus beschouwd worden.
Met een verticaal lusdeel kun je een lus over de grenzen van bouwlagen heen laten lopen. Deze kun je plaatsen als een vormvast component en vervolgens een hoogte geven door een bovenvlak of elementhoogte in te stellen.
Stelselfuncties
Er bevinden zich diverse functie in het menu 'Stelsel' die nu gebruikt kunnen worden om automatisch allerlei taken uit te voeren:
Met Selecteer stelsel worden alle delen van de brandmeldinstallatie geselecteerd die correct aan elkaar verbonden zijn. Dit kun je gebruiken als optisch controlemiddel.
Met Uitwerken stelsel worden alle lussen nagezocht, en wordt automatisch aan elk element een in de tekening uniek adres toegekend. De polylijn die je bij het ontwerpen hebt getekend, wordt nu ook automatisch in losse lijndelen gesplitst. Het adres (opgebouwd met een lusnummer en een elementnummer) wordt vervolgens op de tekening bij elk symbool geplaatst. Bij elke centrale worden naam en kastnummer in de tekening geplaatst. Signaalgevers en contacten worden ook genummerd, op basis van de IO-module of de melder waaraan ze gekoppeld zijn.
De functie Controleer stelsel checkt of er geen ontwerpfouten in het stelsel zijn aangetroffen, en toont deze vervolgens in de waarschuwingenlijst.
Met Genereer overzichten kun je een adressenlijst genereren, waarin gesorteerd op adres een lijst van alle elementen in de brandmeldinstallatie wordt gemaakt. Deze is in de tekening en/of als los bestand, in diverse bestandsformaten te genereren.
De functie Plaats teksten plaatst de teksten bij alle elementen van de brandmeldinstallatie in de tekening. Dit gebeurt ook bij het gebruiken van de functie Uitwerken stelsel, met dat verschil, dat de functie Plaats teksten de adressering binnen de installatie niet opnieuw bepaalt, maar uitgaat van de bestaande situatie.
De functie Wijzig eigenschappen kan op elk element in de brandmeldinstallatie toegepast worden om de eigenschappen (naam, omschrijving, kastnummer, adres) handmatig te wijzigen. Elke aangebrachte wijziging wordt direct ook automatisch doorgevoerd in de op de tekening gegenereerde teksten en op de adressenlijst.
Met de functie Selecteer op eigenschappen kun je de gewenste elementen van de brandmeldinstallatie die voldoen aan door jou ingegeven eigenschappen in één keer selecteren.
De functie Stelseloverzicht geeft een schematische weergave van de brandmeldinstallatie weer, die je kan helpen om overzicht te creëren. Je kunt door in het stelseloverzicht op een element te klikken, ook direct in de tekening naar het betreffende element toe navigeren.